De Golfe du Morbihan is een ‘must-see’, zei Mathieu van Île-de-Yeu. Een binnenzee in Bretange die een spectaculaire entree heeft als gevolg van woeste getijdestroom en daarna eindeloos veel ankeropties biedt.
Onder weg naar de Golfe ankeren eerst nog een nachtje bij Île-de Houat, aan Plage du Salus. We zijn er niet de enige. Tussen de ruim meer dan 50 jachten vinden we een mooie plek. Desalniettemin snorkelen we hier in ons uppie en is dat ook hier weer fantastisch. Niet door de lipvisspiegel maar vanwege ontelbare zee-egels en zeesterren, die Louise en Minne doen besluiten het wateroppervlakte te verlaten en over de bodem te scheren.



Met 11 knopen schieten we de volgende morgen de Golfe in. Drie knopen door het water dus met 8 knopen stroom mee! De zee gorgelt om ons heen maar we weten van het wad en andere ‘races’: bijsturen is niet nodig, rustig min of meer koers houden. Niet veel later is de stroom afgenomen en droppen we het anker bij Île d’Arz. Snorkelen is er niet meer bij, althans, als je meer wilt zien dan varianten zeewier. Wel jammer, want het water is hier wél lekker warm en snorkelen was net onze nieuwe hobby geworden. Ook ’s nachts is het trouwens lekker warm: reden voor Minne en mij een nacht aan dek door te brengen. Minne in de hangmat tussen voorstag en mast, ik op een matje aan dek. Minne vlecht nog wel een touwtje langs de zeereling zodat ik niet in een slaap-draai overboord kan kieperen. De sterren zijn prachtig, de zonsopgang bijtijds, maar ook deze ‘moeten we een keer doen’ kunnen we een vinkje geven. We hebben een lekker lange dag en zo tijd genoeg van de binnenzee te genieten en een nieuwe ankerplek te vinden in de inmiddels wel forse wind. En passant is er ook nog een on-line meeting met de kinderen uit de klas van Minne en zijn Juf Hank, om elkaar uit te zwaaien op de laatste schooldag in Muiden. Aan boord gaan we nog even door met school, want we hadden eerder wat meer vakantiedagen opgenomen.





De aanwakkerende wind hoort bij een kleine storm, die we combineren we met Quatorze Juillet door naar de haven van Vannes te varen. Precies als we onze iets brede boot als een kurk de flessenhals van de haven inploppen, start de feestelijke parade van overheidsdiensten. We memoreren Dic, die zich bescheurd zou hebben om de woest telgangerende brandweer en de opgewonden sergeant van het militaire bataljon. Na een kwartiertje is het feestje over en moeten we iets verbouwereerd vaststellen dat we een grootsere ceremonie verwacht hadden. De stad stelt echter zeker niet teleur. De Kouign-amann-bakkerij en de chocolaterie geven nieuwe dimensies aan zoete lekkernijen, de kledinguitverkoop laat ons anticiperen op thuiskomen en dan ook nog iets passend of niet-versletens aan kunnen trekken.













Via Île-aux-Moines (Anse de Guip, bij het ‘wrakken-museum’, na een middagwandeling naar hét oesterrestaurant dat tot 1800 uur weigert oesters te serveren) verlaten we de Golfe en zeilen aan de wind -worden we goed in inmiddels- naar Belle-Île-en-Mer. In serieuze stroom en een lekkere swell binden we de boot aan een mooring, buiten de haven van Sauzon. Caatje komt op het lumineuze idee voor het hoog water is (en we naar binnen kunnen varen) per bijboot het droogvallende deel van het haventje in te varen, om de onduidelijke beschrijving over wel of niet geschikte zeebodem met eigen waarnemingen aan te vullen. Ondertussen gaan Minne en ik even snorkelen langs de kust. Even inderdaad, want het water is hier ijskouder dan ooit en met liefde zwemmen we ons ietsje minder permafrost door tegen de stroom in naar de Bojangles terug te bibberen. Dat liever dan wachten op de meiden die ons zouden oppikken.




















Als de havenmeester de ‘go’ geeft om naar binnen te varen, weten we precies waar we heen moeten. Helemaal achterin de haven, feitelijk stroomopwaarts op het riviertje, liggen we koninklijk en alleen achter het anker te wachten of onze inspecties klopten en onze landing geen keien of ander ongerief op de bodem opleveren. Lopend naast de boot kunnen we in ieder geval vast het ‘verplichte’ hekanker uitbrengen. Nog nooit gedaan, dus mooi experiment.
Als de avond valt en de zee zich terugtrekt, spettert het water van de activiteiten van hele scholen vissen. Louise werpt zich suf met haar hengel, tot 0100 uur s‘nachts, maar we vangen bot. Spectaculair is dat we twee enorme alen door inmiddels 10 cm diep water langs de boot zien zwemmen. De zeebodem onder de boot blijkt op ons stekkie perfect vlak en kei-loos, we vallen heerlijk stil liggend in slaap.
In de ochtend drijven we weer en gaan per sup de kant op om een rondje over het eiland te fietsen. Kerkjes, bramen, baaien: Belle-Île is best heel belle. Toch blijven we niet langer dan twee nachten want volle maan is achter de rug en hoog water wordt steeds minder hoog: straks liggen we hier nog weken droog.
De tocht gaat een eiland verder, Groix. De ankerbaai is mega krap, vol, omringd door ondiepe rotsenen en rollerig in de stroom en wind. We wapperen zo vlak naar onze nieuwe Franse buren, dat we de stootwillen uithangen en de sup als buffer tussen ons inleggen. Het blijft verbazingwekkend hoe onverschillig de locale bevolking hun schepen boven op andere boten parkeert. Altijd spannend ook weer als je anker op gaat: trek je het anker van de buren mee omhoog?
Caatje en de kids genieten op de kant van een wonderbaarlijke oude rock-zanger terwijl ik de boot bewaak. We vragen ons af wat we hier doen, maar de schemer maakt wegvaren niet aantrekkelijk meer en dus doen we dat pas de volgende dag. Het is drukkend, passend bij stilte voor de storm. Lorient lijkt ons een goed beschutte plek. Langs enorme Duitse U-Boot-bunkers varen we de stad is en zijn wederom blij verrast. De ontvangst is hartelijk en de stad vriendelijk en gezellig. Tijdens de 2 volgende stormachtige dagen doen we een duck-tour en bezoeken het bunker- en zeilmuseum: super leuke dagvullende programma’s. In Lorient wordt ook weer duidelijk dat de zee veel moois faciliteerde, zeilen en ontdekken, maar ook al oneindig lang onderdeel is geweest van afschuwelijk veel oorlogvoering.






Twee voorbeelden van briljante Franse zeilschepen. De Sodebo moet zich nog bewijzen in de Jules Verne Trophy, de Bojangles heeft de ARC al een keer gewonnen. En onze harten.




Fotogeniek, de kids, een kerk, een eend en een veld zonnebloemen…

Weer een Insta momentje: de kids, een eend en de Mac Drive …
De dagen met goede weergaten om naar het noorden te zeilen lijken inmiddels schaars te worden. We pikken alle dagen waarop onze tracks bezeild zijn om mijlen te maken en varen zo hoppend richting Race de Sein. Om niet te doen wat we altijd al deden laten we Brest rechts liggen en varen naar Île d’Ouessant. Legendarische vuurtorens en misthoorns liggen daarbij op ons pad. Gelukkig onder iets rustiger omstandigheden…


De kust van het eiland is ruig, de baai snijdt diep het eiland is, maar is geheel niet swellloos, constateren we. Met een tij van rond de 8 meter verschil tussen laag en hoog water is de zorg om de bijboot bij aan land gaan een serieuze en we zijn blij dat we een licht exemplaar hebben. Eenmaal aan de wal komen we op de plaatselijke versie van de Walvis aan. We kunnen met uitzicht over de baai en de zee een hapje eten en hopen onderwijl dat de swell een tijdelijk fenomeen was.











Niets blijkt minder waar. Door een lijn uit te brengen naar een andere mooring knopen we de boot zo vast dat de golven op de kop aan komen rollen ipv dwars. Helpt wel, maar we blijven hier niet al te lang. Na een onrustig nachtje, een wandeling en onze eerste en laatste pizza uit een pizza-automaat, kiezen we anderhalf uur achter op de planning zee. Meteen buiten de baai lijkt dat een matig plan. Nog nooit zagen we bij zo weinig wind zulke bizarre golven. Zo ver het oog rijkt richting noorden bestaat de zee uit schuimkoppen en vierkante golven, waar de stroom ons met 3 knopen naar toe gorgelt. We draaien om en overwegen heel erg kort de zuidelijke passage, maar een blik in de pilot en de realisatie dat we bijna half tij zitten (terwijl we met motor op volle porrie slecht 2.5 knoop varen) doen ons realiseren dat varen door de Passage du Fromveur een bijzonder slecht plan is. Onder kreten van afschuw uit de kuip pruttelen we onze roller coasterbaai weer in. Dan maar zwemmen om de boot of zo. Kan je trouwens niet staan op een surfboard terwijl je voortgetrokken wordt? We hebben wederom een hit ontdekt!


De volgende dag blijkt de passage met de juiste timing en zonder wind uitstekend te doen is. Het tij lanceert ons noordoostwaarts en zo eindigen we aan het eind van de middag op de rivier voor L’Aber Wrac’h. Makkelijk, een mooring. We vermoeden dat ze ‘free’ zijn zoals de havenmeester zegt, maar miskrommunicatie maakt later duidelijk dat free vrij betekent en niet gratis, want aanknopen kost evenveel als in de haven liggen. Naja.
Droogvallen is goedkoper en dat doen we de vervolgens spectaculair midden in de oude haven van Île-de-Batz. We constateren ondertussen dat ruim de tijd hebben in dit gebied voordelig is, want het is lastig wijs worden -uit de pilots en de kaarten- waar stenen en rotsen liggen. Fransen en kimkielers blijken overal te landen waar ze de bodem kunnen raken (‘stenen druk je wel de bodem in’), wij willen met onze kostbare coating wat voorzichter doen. Toch lukt het ook zonder voorafgaande exploratie prachtige plekken te vinden blijkt. Wederom kunnen we in de avond de kant op en sluiten zo aan bij de Mexicaanse avond van de plaatselijke kroeg, terwijl onze boot langzaam de Bretonse modder inzakt.






Bretagne, dit zuidelijke deel, is prachtig. De hele kust tot en met Saint Malo lonkt nog. Maar ook weten we dat opi een omi al bijna in de auto stappen naar Honfleur. Terwijl we eigenlijk zeilen richting een Plou (er zijn er hier tientallen) besluiten we een mijl uit de kust voor Ploumanac’h om het meegaande tij vast te houden en ons naar Guernsey te laten meenemen. Het is prachtig zeilweer en de hop naar de kanaaleilanden nu maken levert meer zeilen en minder haast op naar ons rendez-vous.



Zoals vaker met onze nieuwe boot varen we weer eens sneller dan gedacht. Blijkbaar kunnen we dagafstanden van BJ I niet loslaten, nummer II doet wel een mijl of 25 per dag meer. De nacht valt, de kids doen de eerste wacht, we reven nog maar eens een keer en varen met de rem erop rustig de Oceaan uit en The English Channel in. Bij de eerste zonnestralem komen we aan bij St Peter Port. Twee uur later, terwijl de kids wakker worden, kunnen we over de ‘sil’ en knopen vast in de Albert Marina. Hier kunnen we meteen een volgende ‘must do’ verzilveren: scooters huren!









Met kleine oogjes post-nachtzeilen maar genoeg adrenaline in het systeem om links rijden te faciliteren, scooteren we een rondje eiland. Onderweg komen we prachtige dorpjes tegen, lieflijk en verzorgd en nooit eerder door ons gezien toen ons bereik nog door kleuters werd bepaald. Ook bezoeken we een ondergronds Duits oorlogsziekenhuis dat niet alleen door de kille vochtigheid tot koude rillingen leidt.
De golfsurfdudes zeiden gister dat de omstandigheden tomorrow veel beter zijn dan heden. Met de planken de bus in dus, want surf-dudes zijn heel autonoom. Tomorrow is blijkbaar niet deze today, want al na een kwartier weten de kids dat dit ‘m niet wordt. Veel te tiny waves voor ons. Druppend weer de bus in: kan allemaal hier, blijkbaar. Beetje als in de alpen, waar de skibus ook binnen besneeuwd raakt. Als de chauffeur remt klotst ons aanhangend water richting de boeg van de bus. Niemand kijkt op.




Ooit lag ik met een HR met Willemijn en Ali voor anker bij Sark. Was heel mooi weet ik mij te herinneren. Staat dus op de wishlist en de omstandigheden zijn goed nu. Na een nacht ankeren in Fermain Bay (want dan geen timing moeilijkheden achter de sil) pruttelen we naar Dixcart Bay. Wat een volle bak! De baai ernaast is op 1 bootje na leeg. Wat is daar aan de hand dan? Caatje en ik kijken elkaar aan? Is dit het schaap-effect? Allemaal op een kluitje! We besluiten dat de buurbaai prima is, beter wellicht en droppen daar -zo dicht als we bij de rotsen durven in dit enorme tij- ons anker in Derrible Bay. Meteen wil Minne de kust verkennen per sup en blijken we in, door, achterlangs grotten te kunnen suppen. Spectaculair!!!








Na een uurtje is ook hier het schaap-effect daar. Het gaat om de first follower mensen! Zijn wij, en daarna ontstaat er een crowd.
Gelukkig hebben we op Ouessant geoefend met baai-rollen. Ook hier schommelen we als een gek achter ons anker. Wind sheer om de uiteinden van de baai maakt dat we af en toe allemaal met een andere hoek achter het anker liggen. Maar na maanden op zee hoort klagen over swell er blijkbaar niet meer bij en accepteren we dat niet klakkeloos alles op tafel kunnen zetten. Ook de schoonheid van de baai en het eiland compenseert alle ongemak gemakkelijk. Met de bijboot scheuren we naar Dixcart Bay want in onze baai is de rubberboot achterlaten amper mogelijk als gevolg van de meters tij. De route naar het dorp lijkt op een toch door tropisch regenwoud, maar eenmaal in het dorp druipt de engelse lulligheid er vanaf en is verwarring met de tropen niet meer mogelijk.
In St. Peter Port vond Louise bij de havenmeester een folder over ‘coastering’. De kids zijn heel benieuws en het blijkt op Sark te kunnen:we gaan er voor! Met een ander Nederlands gezin worden we in wetsuits en zwemvesten gehesen en van helm voorzien. Na een wandeling van 20 minuten begint het feest. Ruige zee, zuigende swell, rotsen vol ‘barnicles’ en springen van meet dan 10 meter hoogte: de kids zijn nergens bang voor, dus Caren en ik springen en zwemmen met geknepen billen achter onze aanvoerders aan. Springen is bijkans minder eng dan weer aangespoeld worden op een rots. Knieen en voeten vooruit, dan met de nagels een paar barnicals vastgrijpen en binnen dezelfde golf de rots op klauteren. Ben je te traag, spoel je zo de zee weer in en kan je voor de herkansing.






Als blijkt dat we het coasteren overleefd hebben, scheuren we terug naar onze boot en gebruiken het prachtige strand dat bij eb ontstaan is om voor het eerst deze reis op het strand te BBQ-en. Een primeur dus maar ook een finale: hier start de laatste fase van onze reis. Vanaf Sark zullen we Normandie inzeilen en vanaf daar door naar Nederland varen. Met in ons hoofd en hart de prachtige verassende plaatsen in de Vendée, Bretagne en de kanaaleilanden…



